Search billions of records on Ancestry.com
   
Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1982, 15de jaargang, nr. 3

EEN  HALVE  EEUW  'S  VOLKS WELZIJN
TE  ZOMERGEM

BRONNENMATERIAAL

In het lokaal van de mutualiteit 's Volks Welzijn bewaart men zorgvuldig de oude verslagboeken van dit ziekenfonds.  Ik heb een poging ondernomen om aan de hand van de inhoud van voornoemde verslagboeken en persknipsels uit het weekblad "Recht voor Allen" een historisch overzicht te schetsen van het ontstaan en de groei van 's Volks Welzijn gedurende de periode 1891-1941.  Ik heb slechts de periode 1891-1941 onderzocht, omdat na verkoop van de eerste halve eeuw 's Volks Welzijn langzamerhand opgeslorpt werd door de overkoepelende landsbond der Christelijke Mutualiteiten.  Spijtig genoeg moet men wachten tot 1914, alvorens een goede en bekwame verslaggever, in de persoon van Adolf Lievens en voor de periode 1927-1930 beschikt men enkel over het verslag van de algemene vergadering van 1928.  Van deze gelegenheid wil ik gebruik maken om de huidige sekretaris Freddy Mestdagh te danken voor het ter beschikking stellen van de verslagboeken.

STICHTING

Op 12 april 1891 mocht onderpastoor Remi Van den Abeele een elftal inwoners in zijn huis verwelkomen, die bereid waren een nieuwe ziekengilde te helpen stichten.  E.H. Van den Abeele was afkomstig van Hulse, waar hij op 10 februari 1854 voor het eerst het levenslicht aanschouwde.  Hij werd priester gewijd in 1878 en was achtereenvolgens leraar in het college van Geraardsbergen, onderpastoor te Ertvelde 1879, te Lebbeke 1883, te Zomergem 1888.  Het eerste bestuur van 's Volks Welzijn telde volgende leden: voorzitter postmeester Alfons Dobbelaere, ondervoorzitter Theofiel Bultinck, sekretaris Hector Plancquaert, proost Remi Van den Abeele en penningmeester Jules Welvaert.  Wijkmeesters waren: Petrus De Langhe, August De Vliegher, August Lataire, Leonard Martens, August Pattyn, Edward Sierens en Petrus Willems.  Een maand na de stichtingsvergadering kwamen de pioniers in de grote zaal van het toenmalig gemeentehuis bijeen om de statuten te bespreken.  Hierna volgen de belangrijkste artikels uit het reglement.

Bestuur van 's Volks Welzijn rond 1900
BESTUUR VAN DE MUTUALITEIT 's VOLKS WELZIJN OMSTREEKS DE EEUWWISSELING
Zittend: Adalbert Kervyn de Meerendré, E.H. Pastoor Désiré Fordeyn, voorzitter Alfons Dobbelaere, Burgemeester Félix Lampaert, E.H. Van Hoorebeke, August Sierens.
Staande op de eerste rij: Notaris Maurits De Mulder, August Lataire, Petrus Wille, Henri Claeys, Constant De Bruyne, Henri Batsleer, Victor Barbier, Petrus De Langhe, Karel Van Vlaenderen, Jules Welvaert.
Staande op de tweede rij: Jacob Van Hulle, Hendrik Snoeck, Edward Willems, Jules De Poorter, August De Bruyne, Henri Verheecke, Leonard Martens, Henri Van den Bossche.

ENKELE BEPALINGEN UIT HET REGLEMENT VAN 1891

—  De maatschappij voor onderlinge bijstand had tot doel de leden te verzekeren tegen ziekte en de daaruit voortspruitende werkonbekwaamheid.
—  Werkende leden werden aangenomen op voorwaarde dat zij over een goede gezondheid beschikten en tussen de 18 en 45 jaar oud waren.
—  Wie naar een andere gemeente verhuisde mocht lid blijven van 's Volks Welzijn zo er in zijn nieuwe verblijfplaats geen gelijksoortig ziekenfonds bestond.
—  Het bestuur bestond uit 11 ereleden, 6 werkende leden en de proost.  Kapitaalkrachtigen waren dus duidelijk in de meerderheid.  Het dienstbetoon van de beheerders en wijkmeesters was gratis.  De prestaties van de gildeknaap werden evenwel vergoed.
—  De stuurgroep vergaderde om de drie maanden en telkenjare was er een algemene ledenvergadering.  Werkende leden waren verplicht deze bijeenkomst bij te wonen.
—  De eerste contributie bedroeg 1 fr. voor nieuwe leden van 20 tot 30 jaar, 2 fr. voor diegenen van 30 tot 40 jaar en 3 fr. voor nieuwkomers van 40 tot 45 jaar.  Per maand betaalde men daarenboven nog eens 50 centiemen lidgeld.
—  Zieke of gekwetste leden genoten gedurende een termijn van drie maanden kosteloze verzorging door de geneesheer.  Het door ziekte getroffen lid kreeg 1 fr. werkloosheidsvergoeding per werkdag gedurende de eerste maand van voornoemde termijn.  Deze uitkering verminderde tot 75 centiemen tijdens de tweede maand en 60 centiemen gedurende de derde maand werkonbekwaamheid.  Al wie per maand vrijwillig 1 fr. lidgeld betaalde kreeg een dubbele vergoeding.
—  Een ongesteldheid van drie dagen kwam niet in aanmerking voor vergoeding.  Benevens de reeds genoemde beheerders en wijkmeesters ondertekenden Constant De Bruyne, Henri Verwilst, Henri Batsleer, August Teirlynck, August De Bruyne, Petrus Willems alsook erevoorzitters pastoor Fordeyn, vrederechter Kervyn de Meerendré en burgemeester De Rycke eveneens de 46 goedgekeurde statuten.

DE EERSTE JAREN

Onze hedendaagse arbeiders kunnen zich wellicht zeer moeilijk een toestand zonder sociale zekerheid inbeelden.  Loontrekkenden die in vorige eeuwen ziek werden moesten zichzelf bedruipen, of een beroep doen op de vrijgevigheid van welgestelden.  De maatschappij voor onderlinge bijstand opende nieuwe toekomstperspektieven.  Voorzitter Alfons Dobbelaere sprak reeds in de voorlaatste zitting van 1891 over de lijfrentekas.
De ziekenbeurs verzekerde de werkman tegen ziekte en de daarmee gepaard gaande werkloosheid.  De lijfrentekas verzekerde hem tegen loonverlies, wanneer hij als bejaarde niet meer kon werken.  Het provinciaal bestuur vond het inleggeld te gering, maar het bestuur van de ziekengilde weigerde deze bijdrage te verhogen, daar de kastoestand op dat ogenblik gezond was.  In 1892 vroeg E.H. Van den Abeele of het nodig was dat de ziekengilde de lakens betaalde in het geval dat men de zieke "het zetten van lakens" voorschreef.

E.H. Remi Van den Abeele E.H. Remi Van den Abeele

1854 - 1935

Stichter van 's Volks Welzijn




 

Deze vraag werd afgewezen tijdens de vergadering van 10 april.  De ijveraars werden nogmaals op het hart gedrukt geen zieke kandidaat-leden voor te stellen.  Men diende zelfs vooraf de geneesheren te raadplegen over de gezondheidstoestand van de toekomstige werkende leden.  Elk jaar organiseerde 's Volks Welzijn op de derde kermisdag een algemene ledenvergadering in de grote zaal van het gemeentehuis.  De werkende leden waren verplicht deze vergadering bij te wonen, zoniet betaalden zij 0,25 fr.. boete.  Een tiental leden stuurden in juni 1892 hun kat naar de ledenvergadering zodat zij beboet werden.  Het was nochtans geen tijdverspillende bijeenkomst.  E.H. Van den Abeele schonk 100 fr. en schepen Welvaert 60 fr. voor de eerste storting van 1 fr. voor ieder lid op de lijfrentekas.  De kastoestand was gezond, maar voorzitter Dobbelaere sprak de wens uit over een reservefonds te beschikken om zich te wapenen tegen het stijgend aantal vergoedingen voor ouder wordende leden en de kwalijke gevolgen van besmettelijke ziekten.  Het drankmisbruik was in die tijd een ware plaag.  De stichtende proost ging fel tekeer tegen het overmatig drinken.  "Wij drinken bijna drie keer zoveel als het onderhoud van het leger kost" riep hij uit.
Toen vond men de tijd rijp om een reglement goed te keuren, waardoor de maatschappij 's Volks Welzijn zich bij de algemene pensioenkas van de staat aansloot.
In oktober 1892 waren reeds 124 leden ingeschreven voor de pensioenkas.  Sekretaris Hector Plancquaert en bestuurslid August De Vliegher legden er het bijltje bij neer.  De provincieraad schonk de jonge maatschappij een toelage van 25 fr.
Notaris Maurits De Mulder nam in 1893 de pen over van zijn voorganger H. Plancquaert.  Proost Van den Abeele stelde tijdens de zitting van 9 april 1893 voor 2 fr. per lid en per jaar aan de geneesheren te betalen als vergoeding voor geneeskundige zorgen in plaats van 1,50 fr., hetgeen de stuurgroep goedkeurde.  Regelmatig leest men iets in de verslagen over de touwtrekkerij tussen bestuur en geneesheren betreffende de vergoedingen voor de prestaties van laatstgenoemden.
De stuurgroep waakte met argusogen over de aanwezigheid van de werkende leden tijdens de algemene vergaderingen.  Waarschijnlijk waren er in 1893 leden die beweerden dat zij geen uitnodigingskaart ontvingen.  Zij probeerden met deze bewering hun afwezigheid te verontschuldigen.  Het bestuur verwierp deze reden omdat "zij op de preekstoel vermaand werden" en ook omdat de kaart volgens hen slechts diende als mededeling van de dagorde.

NAAR MEER SOCIALE ZEKERHEID
In 1894 pleitte Petrus Willems voor het afschaffen van de begincontributie.  De beslissing werd uitgesteld, alhoewel een groot aantal aanwezigen zijn pleidooi steunden.  In die tijd kregen de vrouwen geen gelegenheid zich als gewoon lid te laten inschrijven.  Krachtens het reglement mochten zij wel erelid worden, maar dat was enkel mogelijk indien men kapitaalkrachtig was.  Het moet ons dan ook niet verwonderen dat men dit probleem ter sprake bracht in de vergaderingen van 20 mei 1894 en 23 juni 1896.  August Teirlynck slaagde er niet in zijn standpunt terzake te laten goedkeuren.  De beslissing werd nogmaals op de lange baan geschoven.  Het klinkt misschien ongeloofwaardig, maar tijdens de jaarlijkse algemene vergaderingen hekelde men geregeld politieke tegenstanders.  Dat waren dan vooral socialisten en liberalen.  Waarschijnlijk waren de kristen-demokraten nog niet in ongenade gevallen, want Hector Plancquaert mocht tijdens de ledenbijeenkomst van 26 juni 1894 een redevoering houden ten voordele van zijn partij.

Tijdens de zomer van 1895 nam men het besluit, dat de maatschappij 5 fr. per maand verplegingskosten diende te betalen aan alle leden die meer dan drie maanden ziek waren.  Een eenvoudige breuk was geen beletsel om iemand als lid te aanvaarden.
Proost-stichter Van den Abeele werd in 1896 benoemd als pastoor te Louise-Marie en vervangen door E.H. Van Hoorebeke.  Coleta Verbiest legateerde 1000 fr. aan 's Volks Welzijn.  Het gemeentebestuur liet zich ook niet onbetuigd, en schonk 100 fr. toelage.  Het jaar nadien noteerde de verslaggever het ontslag van wijkmeester Theofiel Bultinck uit Ro.  Hij werd vervangen door Edward Willems uit dezelfde wijk.  Wie zich door een gespecialiseerde geneesheer moest laten verzorgen, kreeg daarvoor een vergoeding van 1 fr. per raadpleging.  Iemand die zich daarentegen in het ooglijdersgesticht liet verzorgen ontving enkel een vergoeding voor de tramreis.

Dokter Edward Wille Dokter Edward Wille

1850 – 1911




 

In Recht voor Allen van 30 oktober 1898 leest men dat de ziekengilde 654 fr. toelage ontving om deze te verdelen onder de pensioengerechtigde leden.  "Men acht de ziekengilde naar waarde, maar tegenover het pensioen is men nog te onverschillig.  Vorig jaar gaf de Staat 70 centiemen voor iedere frank die men stortte tot beloop van 12 fr.  Wie dus 12 fr. stortte kreeg 12 x 0,70 of 8,50 fr. bij.  De Provincie gaf 1 fr. bij de eerste storting: 1 fr. voor iedere storting van 1 fr., 1 fr. voor een storting van 3 fr. of meer.  Wie dus 't eerste jaar 12 fr. stort, ontvangt daarenboven 11,40 fr. van Staat en Provincie en de volgende jaren 10.40 fr." aldus de korrespondent van voornoemd weekblad.
Gedurende de zitting van 11 juni 1899 liet A. Teirlinck zich weer opmerken door een beschuldiging te uiten aan het adres van E.H. Van Hoorebeke, als zou deze de boete die de knechten van Jules Standaert voor hun afwezigheid tijdens een algemene vergadering schuldig waren, kwijtgescholden hebben.  Tevens beweerde de aanklager dat bepaalde wijkmeesters zich bezondigden aan favoritisme, door de kaarten van hun beste vrienden mee te nemen naar de jaarlijkse ledenbijeenkomst, om zodoende hun afwezigheid te verdoezelen.  Voorzitter Dobbelaere stopte deze onverkwikkelijke beschuldigingen vlug in de doofpot.  Teirlinck nam later ontslag, zonder nochtans zijn aanklacht in te trekken.  Zijn aanklacht was wellicht niet totaal ongegrond, want een jaar later beweerde Leonard Martens dat de boeten slecht toegepast werden.

De korrespondent van "Recht voor Allen" schreef in de uitgave van 10 september 1899 dat 's Volks Welzijn de gouden gedenkpenning bekwam tijdens de provinciale tentoonstelling.
Bij koninklijk besluit van 3 oktober 1899 werd voorzitter Alfons Dobbelaere onderscheiden met het ereteken der mutualiteit.

DE TWINTIGSTE EEUW
In zijn verslag over de werking van de ziekengilde gedurende het dienstjaar 1900 wees notaris De Mulder op de gedane inspanningen inzake sociaal dienstbetoon voor de leden.  Zodoende ontvingen August Pombereu en Charles Van Laecken elk een bedrag van de voorzieningskas voor werkongevallen.  De Mulder loofde de plaatselijke geneesheren Lampaert, Wille en Van Buere voor hun inzet en offervaardigheid.

De kwestie van de erelonen van de geneesheren gooide af en toe roet in het eten.  De zitting van 2 februari 1902 werd grotendeels beheerst door looneisen van de dokters.  De raad stelde voor 3 fr. per lid en per jaar te betalen aan de dokters.  Indien laatstgenoemden dat voorstel afwezen was het bestuur zinnens ontslag te nemen.  Zover kwam het echter niet.  Dokter-burgemeester Félix Lampaert zat als het ware tussen twee vuren.  In 1891 was hij immers medestichter van de Landelijke Geneeskundige Kring.  Na overleg met de geneesheren Wille en Van Buere besloot hij de looneisen van zijn beroepsvereniging naast zich neer te leggen en zich te houden aan het voorstel van de ziekengilde om de tarief te brengen op 3 fr. per lid en per jaar.  De Landelijke Geneeskundige Kring ging niet akkoord en eiste 4 fr.  Lampaert koos de zijde van 's Volks Welzijn en nam ontslag als voorzitter van de Geneeskundige Kring.  Er was ook nog goed nieuws.

Clementia Walgraeve steunde de ziekengilde met een legaat van 200 fr.  De jaarlijkse gemeentelijke subsidie bedroeg in 1903 reeds 175 fr.  Toen achtte men het ogenblik gekomen om bij de Brugse firma Grossé een vlag te bestellen ter waarde van 500 fr.

Volksvertegenwoordiger Maenhout deed het nodige om van de staat een toelage van 200 fr. te bekomen, om deze aankoop mogelijk te maken.  In die tijd gaf de ziekengilde 6 fr. aan Petrus Strobbe als vergoeding voor zijn rubberen kous.  De schrijver noteerde in 1904 de dood van Edward Sierens en Félix Lampaert, alsook het vertrek van Jules Welvaert naar Eeklo.  Kamiel Van Vlaenderen werd benoemd tot nieuwe ondervoorzitter en August Pattijn werd penningmeester.  Henri Welvaert en Theofiel Van Hulle behartigden vanaf 1904 de belangen van de leden in Stoktevijver.  In de zitting van 14 oktober 1906 besloot men dankbrieven te schrijven naar direkteur François van de Usines d'Evergem Rabat voor zijn milde bijdrage in de tombola, en naar Henri Welvaert voor de schenking van wijlen Bernard Welvaert.  De voorzieningen inzake sociale zekerheid werden alsmaar groter.

De korrespondent van "Recht voor Allen" schreef in de uitgave van 14 april 1907 ondermeer het volgende: "Mits een kleine maandelijkse bijdrage verzekert de herverzekeringskas, dank zij de tussenkomst van het katholiek goevernement de werkman tegen ziekte en invaliditeit tot de ouderdom van 65 jaar, te beginnen vanaf de zevende mand, wanneer de tussenkomst van de plaatselijke maatschappij eindigt".  In het aantekenboekje van de penningmeester vond ik de namen van geneesheren die leden van 's Volks Welzijn verzorgden.  Het waren Alfred Van Hecke, afgestudeerd in juli 1905 (zie Ons Meetjesland 1973, nr. 4, blz. 149) en na hem Armand Lampaert, die in 1907 met grote onderscheiding zijn studies voltooide aan de Katholieke Hogeschool van Leuven (lijkrede in 1937 uitgesproken door dokter Cieters namens de Landelijke Geneeskundige Kring) en tenslotte burgemeester Edward Wille, geneesheer te Zomergem sedert 1880 (verslagboek Schepencollege 1870-1896).

Dokter Félix Lampaert Dokter Félix Lampaert

1839 - 1904




 

E.H. Van Hoorebeke nam in 1907 afscheid van de Sint-Martinusparochie.  Zijn opvolger E.H. Bogaert werd in 1908 penningmeester.  De nieuwe proost-penningmeester stak zijn ongenoegen niet onder stoelen of banken toen hij op 9 februari 1908 de nalatigheid van de leden inzake regelmatige stortingen voor de pensioenen aan de kaak stelde.  Slechts een dertigtal betaalden spontaan hun bijdrage.  "Drink alle veertien dagen een pint minder zodat gij kunt sparen !" voegde hij eraan toe.  Het reglement werd een jaar later herzien.  Van de 399 stemgerechtigde leden en de 24 bestuursleden waren 259 werkende leden en 20 bestuursleden aanwezig.  De maandelijkse bijdrage werd verhoogd van 0,50 fr. tot 0,55 fr.  In 1910 stelde men vast dat er op 91 pensioenboekjes niets meer gestort werd, waardoor men 1100 fr. verlies boekte.  Alleen diegenen die 1 fr. stortten kregen van de ziekengilde 2 fr. bij voor hun pensioenboekje.  Alfons Dobbelaere stierf in 1911 en werd opgevolgd door Adalbert Kervyn de Meerendré.  Dokter Richard Van Der Haeghen verving de inmiddels overleden Edward Wille als geneesheer, aangenomen door de ziekengilde.  Met de pensioenkas ging het iets beter, daar 119 leden trouw hun bijdrage betaalden.  Einde 1912 eiste de Landelijke Geneeskundige Kring weer een vergoeding van 4 fr. per lid.  Deze keer was het de nieuwe proost E.H. Himschoot die de spits afbeet.  Uiteindelijk kwam men overeen de tarief te verhogen tot 3,50 fr.  Begin 1913 waren er 335 leden aangesloten bij de pensioenkas op een totaal van 391 werkende leden.  Virginie De Bock legateerde in die tijd 100 fr. aan de ziekengilde.

DE OORLOGSJAREN
Maurits De Mulder verhuisde in 1914 naar Gent.  Zijn taak werd overgenomen door Adolf Lievens.  De Mulder was meer dan twintig jaar aktief in de ziekengilde.  Uit erkentelijkheid schonk men hem een bronzen beeld, voorstellende de Madonna van Raphaël.  Leden, die door een werkongeval getroffen werden, dienden de proost daarvan te verwittigen, zodat hij de steun van de Voorzieningskas kon vragen.
Voorzitter Kervyn de Meerendré overleed op 8 mei 1914 en werd enkele maanden later als leider van 's Volks Welzijn vervangen door Emiel De Smet.  Weduwe Kervyn schonk 300 fr. aan de gilde.
Leden die ziek werden, waren krachtens het reglement verplicht, eerst hun ziekenkaart af te halen bij hun wijkmeester.  In 1915 besloot men dat de patiënten hun ziekenkaart zelf dienden te bewaren, ten einde te voorkomen dat de dokters deze kaarten ten onrechte bewaarden.  Kort voor de oorlog telde men 392 leden, en 70 ereleden.
Het voor de loterij bestemde geld werd in 1914 gebruikt om de stortingen van de leden voor oktober, november en december kwijt te schelden.  Deze maatregel werd herhaald in 1915.
Vele arbeiders waren werkloos door overmacht.  De wijkmeesters werden verzocht de namen van werklozen te noteren en de lijst over te maken aan het Nationaal Voedingskomiteit.  De gemeente steunde het komiteit door een tussenkomst van 10%.  In feite was het een private liefdadige onderneming, die waardebons voor huishoudelijke noodwendigheden onder de behoeftigen verdeelde.  Adolf Lievens waarschuwde de leden voor een nieuwe vijand: het kansspel (1).  Einde 1915 gaf hij allen de raad het opstel van C. De Meester in de Landwacht van 11 december 1915 te lezen waaruit ik het volgende citeer:
"De schat der pensioenwet is noch verdwenen, noch verborgen, maar blijft in veiligheid.  De goudmijn van de lijfrentekas is niet uitgeput !  Alle toelagen worden verder als volgt verleend: 0,60 fr. per frank op de 15 eerste franken voor al de leden geboren sedert 1 januari 1870, en tot 24 fr. voor diegenen geboren voor 1870 als zij hun stortingen doen met voorbehouden kapitaal.  Indien laatstgenoemden hun stortingen doen, of ten minste toch 6 fr. storten met afgestaan kapitaal, dan wordt op die 6 fr. een toelage verleend van 1 fr. per frank of 6 fr. voor diegenen geboren van 1861 tot 1865 en 2 fr. per frank of 12 fr. voor diegenen geboren in 1860 of vroeger.  Daarenboven nog 0,60 fr. per frank voor de 18 volgende franken tot 24: een gezamenlijke toelage van 16,80 of 19,80, ja tot 22,80 fr., de toelage van de Provincie niet meegerekend, die voor Oost-Vlaanderen op gemiddeld 3 fr. mag geschat worden".  Van de 391 leden waren er 36 in het leger.
Wijkmeester Jules Van de Rostijne stelde in januari 1916 voor een pakket te verzenden naar de krijgsgevangen leden in Duitsland.  Zodoende kreeg Raymond De Clercq uit Stoktevijver een "kantienpaksken".
Het boterde niet al te goed met het Gentse hoofdbestuur van het steunkomiteit.  Voorzitter De Smet ging persoonlijk te voet naar Gent om hulp te vragen aan volksvertegenwoordiger Siffer.  Ondertussen werd een nieuwe liefdadige instelling opgericht: het werk van de schoolsoep.  In het lokaal van de zondagsschool deelde men drie maal per week soep uit aan ruim 350 kinderen.  Tijdens de kermisweek van 1916 deelde de proost mee, dat de gilde gedurende de oorlog reeds 1600 fr. ledenbijdragen kwijtschold.
Op 10 december 1916 stichtte men in de schoot van de ziekengilde de genees- en artsenijkundige dienst.  Vroeger werd alleen het door ziekte of kwetsuren werkonbekwame lid kosteloos door de geneesheer verzorgd.  Met de nieuwe regeling was het mogelijk ook de gezinsleden van de ziekteverzekering te laten genieten.  Men mocht slechts om het half jaar van geneesheer veranderen.  De mutualiteit werd in 1918 getroffen door het overlijden van Henri Batsleer, een van de medestichters en vaandeldrager Jacobus Van Hulle uit Ro.  Batsleer werd pas in 1919 vervangen door August Termont.  Adolf Lievens herhaalde tijdens de algemene vergadering van 25 juni 1918 zijn oproep tot spaarzaamheid.  "Het is niet eenvoudig de jeugd te leren sparen" zei hij.  "Vooral door het feit dat jongeren veel marken verspelen op ankers en zonnen".

OORLOGSWONDEN HELEN LANGZAAM
De oorlog was gedaan.  De schade was evenwel aanzienlijk.  Men betreurde 27 gesneuvelden, waaronder de mutualist Jules Claeys uit Meirlare.  In 1919 werd hulde gebracht aan de nagedachtenis van Jacobus Van Hulle, Victor Barbier uit Ronsele, August Philips.  Jules Van den Hende, August De Poorter, Jules De Keyzer, Edward Timbreur en Jules Welvaert.  De pensioenkas kwijnde tijdens de oorlog.  Daarom besloot men na de bevrijding bij iedere storting van 1 fr. 2 fr. bij te leggen.  Het aantal herbergen verminderde, waardoor men hoopte dat de arbeiders meer zouden sparen.  In die tijd legateerde Adolf Wille 1000 fr. aan 's Volks Welzijn.  In 1920 betaalden de leden 1 fr. lidgeld per maand, vermeerderd met 10 ct per gezinslid.  De vergoeding voor werkonbekwaamheid bedroeg 1,50 fr. per ziektedag gedurende de eerste maand en 1 fr. gedurende de twee daarop volgende maanden.  Er waren toen zelfs leden die bereid waren vrijwillig meer lidgeld te betalen, om in geval van werkonderbreking wegens ziekte meer schadevergoeding te krijgen.  Dit voorstel werd aangenomen.  Bij een bevalling betaalde de gilde 2 fr. aan de ouders.  Wijkmeester Henri Van den Bossche uit Beke verongelukte in 1920.

Na veel wikken en wegen kwam men in februari 1921 tot een akkoord met de geneesheren.  De medici waren bereid de gezinsleden van de ziekenfondsleden te verzorgen voor een vergoeding van 36 fr. per jaar.  Leden die toen 1,50 fr. inleg per maand betaalden kregen gedurende drie maanden een vergoeding van 3 fr. per ziektedag.  Het katholiek kieskomiteit telde vijf gildeleden waaronder Edmond Berth en Philemon Valent.  Laatst genoemden behaalden in 1921 elk een zetel in de gemeenteraad.  De wetgever achtte het toen reeds noodzakelijk de nieuwe dienst voor kinderbescherming te stimuleren tegen de kinderbeperking.  De vergoedingen van het genootschap van Sinte Barbara bleken onvoldoende om begrafeniskosten te recupereren, zodat 's Volks Welzijn een afzonderlijke dienst voor begrafeniskosten in het leven riep.
Na de derde maand werkonbekwaamheid waren zieke leden aangewezen op de steun van de herverzekering.  Zij kregen dan 1 fr. per dag tot hun 65e jaar.  Wie een specialist wilde raadplegen kreeg een vergoeding voor de tramreis.  In 1923 kwam het wezenfonds tot stand.  Wezen jonger dan 14 jaar kregen 1 fr. per dag toegewezen.
E.H. deken Back wijdde in september 1923 de nieuwe vlag van de onderlinge bijstand, na de openluchtmis naar aanleiding van de inwijding van het nieuw gemeentehuis.
Het is duidelijk dat de sociale voorzieningen van 's Volks Welzijn in de twintiger jaren in een stroomversnelling terecht kwamen.  Zo noteerde men einde 1923 de stichting van een heelkundige dienst, de tussenkomst van 3/4 in de kosten voor het raadplegen van specialisten en de door hen voorgeschreven geneesmiddelen.  Benevens de gewone dagelijkse vergoeding kregen werkonbekwame leden 50 ct per dag en per kind onder de 14 jaar.  Wie afhankelijk was van de herverzekering kreeg 3 fr. per dag plus 1 fr. per dag en per kind onder de 14 jaar.  Elke wees jonger dan 14 jaar kreeg 1,25 fr. per dag.  Om al deze vergoedingen te kunnen betalen besloot men de bijdrage per week met 5 ct te verhogen.  Wanneer de ooievaar op bezoek kwam betaalde het ziekenfonds 75 fr.  Al wie steun genoot van het armbestuur werd verplicht aan te sluiten bij de onderlinge bijstand.  Het toepassen van X-stralen werd slechts vergoed, zo daarop een operatie volgde.  Begin 1925 was men er zich van bewust dat 's Volks Welzijn stilaan een machtspositie verworven had, die men kost wat kost wilde verdedigen tegenover socialistische invloeden van buitenaf.  In juni 1925 organiseerde men een uitstap naar Zeebrugge.  C. De Keyser mocht het gezelschap naar de kust vervoeren.  Men kon zich gratis laten opereren in de klinieken Refuge, Brielof te Gentbrugge.  Zieken, die zich daarentegen door plaatselijke geneesheren lieten opereren, konden geen aanspraak maken op een vergoeding.  E.H. Weytens volgde in augustus 1925 E.H. Himschoot op als proost en leider.  Wie verdoving wenste bij het tanden trekken betaalde de helft van de kosten.  Zonder verdoving gebeurde dat gratis.  Begin 1926 werd het wezenfonds afgeschaft.

DE CRISISJAREN
In 1931 schonk Emiel De Smet namens de ziekengilde een missaal aan E.H. Back ter gelegenheid van zijn zilveren pastoorsjubileum.  In datzelfde jaar nam de maatschappij afscheid van wijlen Gustaaf Colpaert, de vroegere schrijver van de pensioenkas "Zorgen voor morgen".  E.H. Verwee volgde zijn collega Weytens op als leider van de gilde.  Begin 1932 kreeg men 3/4 van de onkosten terug voor het gebruik van solferbaden.

In 1933 sprak men ook over inleveren, loon matigen, bezuinigingen.

De staat verminderde de toelagen met 10% en in 1936 werd het nog erger.  Ondanks de sombere toekomst steeg het aantal leden tot 2773 in 1936.  Voorzitter Emiel De Smet overleed in 1937 na 22 jaren inzet bij 's Volks Welzijn.  Jozef Pattyn volgde hem op.  Dokter Lampaert verongelukte in 1937 op de weg van Ursel naar Zomergem.  Zijn opvolger was dokter De Ferme.  Het geneeskundig korps van Zomergem bestond toen uit de dokters De Ferme, Cloet en Vanderhaeghen.  Uit de algemene vergadering van 1937 vernemen wij dat de tabel van de vergoedingen eruit zag als volgt:

—  Leden die 10 fr. per maand gaven kregen 8 fr. schadeloosstelling per dag en 1,25 fr. per kind jonger dan 14 jaar.
—  Leden die afhankelijk waren van de herverzekering ontvingen 4 fr. per dag alsook 1,25 fr. per kind.
—  Wie vrijwillig 12,25 fr. per maand betaalde had recht op 10 fr. per dag plus 1,25 fr. per kind en na zes maanden ziekte kreeg de zieke 6 fr per dag en 1,75 fr. per kind.
—  Wie 14,75 fr. per maand gaf kon rekenen op een vergoeding van 15 fr. per dag en 1,25 fr. per kind.  Na zes maanden ziekte kreeg de betrokkene 8 fr. per dag en 2,25 fr. per kind.

Hieronder deelen wij mede de werking der bloeiende Maatschappij 's Volks Welzijn, van Somergem, sedert den dag harer stichting den 12 April 1891.

'S VOLKS WELZIJN
Gesticht 12 April 1891. - Erkend 30 Juni 1895.
Beknopt Overzicht.
's Volks Welzijn, overzicht van inkomen en uitgaven
(1) 200 fr. bijzondere gift; (2) bijzondere gift; (3) gift voor eenen tombola.

In 1938 vroegen de geneesheren 30% loonsverhoging.  Daardoor was het noodzakelijk 0,25 fr. meer te vragen aan de leden.  's Volks Welzijn was nauw betrokken bij de uitvaart van E.H. Back en de aanstelling van zijn opvolger E.H. De Meyer.  Een jaar later betreurde men het overlijden van Adolf Lievens.

In mei 1940 werd ondervoorzitter August Termont geveld door een bom.  Zijn taak werd overgenomen door Omer De Vlieger van Beke.  Einde 1941 kwam de landsbond bij de plaatselijke afdelingen aankloppen om steun te krijgen voor het preventorium te Pulderbos en de wederopbouw van het sanatorium te Mont-sur-Meuse.  Naderhand werd het ziekenfonds opgenomen in de landsbond der Christelijke Mutualiteiten.

R.C.

__________________________

(1) Anker en zon.  Terug naar de tekst

3 stars

Heemschut logo

Werk met ons mee voor Heemschut Ons Meetjesland.

Werf nieuwe leden aan, steun ons onbaatzuchtig streven.  Volkskundige, historische en heemkundige teksten - om het even van wie -- worden dankbaar aanvaard en naargelang van de inbreng gepubliceerd.

Bezorg ons prentkaarten, oude foto's en aanplakbrieven - al was het slechts in bruikleen.

Verzamel vroegere gebruiksvoorwerpen en ambachtstuigen voor ons museum.
Meld ons elke vondst, opgraving of ontdekking in het Meetjesland.
Werk met ons mee.

Redaktie Ons Meetjesland.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

De home page van "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

Copyright notice


Most recent update: 16 September 2012

Tellertje