De benaming "Meetjesland" blijkt vrij jong te zijn:
waarschijnlijk is de naam niet veel meer dan 2 eeuwen oud. In ieder geval gaat
het hier niet over een streek die historisch een eenheid uitmaakte.
Het noordoosten met Ursel, Maldegem, Middelburg, Adegem, St. Laureins, St.-Jan-in-Eremo,
St.Margriete, Waterland-Oudeman, Watervliet, Kaprijke, Eeklo en Lembeke behoorde vroeger
tot het Brugse Vrije.
In het oosten bevindt zich een deel van de Vier Ambachten: Bassevelde, Boekhoute en
Oosteeklo uit het vroegere Ambacht Boekhoute; Assenede, Ertvelde, Kluizen, Zelzate,
Wachtebeke en St. Kruis-Winkel uit het vroegere Ambacht Assenede. Het zuidelijke deel
met Aalter, Knesselare, Oostwinkel, Zomergem, Ronsele, Waarschoot, Sleidinge, Evergem,
Wondelgem, Mariakerke, Vinderhoute, Lovendegem, Merendree, Hansbeke en Bellem maakten
deel uit van de Oudburg Gent.
Een beknopte algemene geschiedenis van het Meetjesland is dan ook practisch onmogelijk.
We zullen in de mate van het mogelijke elke generatie situeren in haar tijd en in haar
woonstreek. Het Meetjesland is evenmin een geografische eenheid: ten noorden
treffen we de polders aan, een uitzonderlijk landschap, in zijn geheel
door de mens bepaald en afgelijnd. Meer dan 6 eeuwen
geleden, in 1377, stroomde het water van de Westerschelde tijdens die beruchte novembernacht
over de streek en zocht langs de turfputten en
andere geulen een weg tot aan de dijken, die sporadisch waren opgeworpen tegen eventueel
zeegeweld.
Een eeuw lang wisselden ebbe en vloed zich af. Pas daarna begonnen onze voorouders heel
oordeelkundig het land te heroveren: dijken werden aangelegd en verdeelden het land in
vierkante of veelhoekige vlakken en op die dijken
werden ranke populieren geplant die met hun wortels de dijkruggen samenhielden.
Hier en daar had het water in de grond diepe putten uitgehaald of waren diepe smalle
geulen
uitgespoeld. Zo werden de kreken gevormd: paradijselijke plekken, afgeboord met rijen
knotwilgen en wiegend riet, oorden van intense rust.
Hier en daar kan men een bijna tot aan de grond rei-kend dak van een reusachtige
polderschuur te-rug-vinden, met dikwijls een veel kleiner huis en enke-le karige
fruitbomen. De scheldepolders hebben een effen kleibodem en zijn vooral geschikt voor
akkerbouw.
Een beetje meer naar het zuiden komen we op het Leopoldskanaal uit. Het werd gegraven in
de vorige eeuw om de polders beter af te wateren. Eens over het kanaal komen we geleidelijk
aan in het Hout-land met zijn effen tot licht golvende zandbodem.
Ook het landschap heeft er zijn eigen waarde. Zie de kleinere daglonershuisjes van de vorige
eeuw met hun lage pannendaken, witge-kalkte geveltjes, hun kleine raampjes en de doornen
haag eromheen. Vroe-ger waren de akkers en weiden hier heel klein, steeds omgeven met een
gracht en houtkanten of knot-wilgen. Vroeger was het hout er heel belangrijk, niet
alleen voor de ver-warming maar ook om het fornuis te koken: voer voor het vee. Thans zijn
de
hoogstammige boomgaarden voor de boerendoeningen grotendeels verdwenen.
Verspreid in dit zuidelijke en oostelijke deel zorgt industrie voor werkgelegenheid en...
milieuvervuiling. Ook op gebied van taalgebruik is er een merkelijk verschil tussen Maldegem
bvb. en Assenede.
Ten slotte is er ook geen juiste grensbepaling voor het Meetjesland, zoals een provinciegrens.
Zo
voelen Zelzate, Wachtebeke en St. Kruis-Winkel in het oosten en Merendree, Wondelgem en
Vinderhoute in het zuiden er zich misschien wel een beetje buiten.
We kunnen het Meetjesland grosso modo omschrijven als het gebied tussen de Nederlandse grens,
het kanaal Gent-Terneuzen, de
Ringvaart, het kanaal Gent-Brugge en de grens met West-Vlaanderen. Wij zullen de grootste
omschrijving gebruiken zoals ze in 1949 door dr. E. Tieleman werd uitgelegd in het heemkundig
tijdschrift van de streek. (1)
Het ontbreekt ook niet aan pogingen om de naam Meetjesland te verklaren. Maar er is geen
algemeen aanvaarde verklaring. Wij geven hier enkele van die verklaringen: (2)
- Pastoor Duvillers in zijn Almanak van het Meetjesland (1862): land van de meetjes, de
oude wijvekens. Deze verklaring gaat terug naar Kei-zer Karel die op reis in onze streken, verbaasd was zo veel oude vrouwtjes te zien die voor hun deur zaten te spinnen of te naaien.
- August Van Acker, stadssecretaris van Eeklo (1894): vervorming van métiersland, nl. het land der weefgetouwen. Wellicht was de weverij als huisnijverheid in deze streken sterker verspreid dan elders.
- afgeleid van mete en gemete, tegenover de streken waar men van dagwand en bunder spreekt.
- afgeleid van meet, mede, medeken in de betekenis van stuk, reep of rechthoekig perceel. Dit
woordje mede en analogen komt het meest voor in en rond St. Laureins en bestaat nog o.m. in de naam van Mekensakker, en Mekenstraatje (Balger-hoeke). (3)
Andere verklaringen werden ook naar voor gebracht. Sommige waren soms wel wat fantastisch, andere waren niet exclusief bruikbaar voor onze streek.
Hoe dan ook, het Meetjesland heeft zijn eigen plaats in Vlaanderen. Binnen dit gebied heeft de stam Noë die hier besproken wordt, geleefd,
gewerkt, ja zelfs gezwoegd. Daar zijn ze geboren, daar zijn ze getrouwd. Daar zijn velen blijven wonen. Daar zijn velen ook begraven.
En daar komen zij die uitgeweken zijn steeds graag terug.
![]()
Overzicht -
Home-blz -
Inhoudstafel
Index -
Doorzoek deze website -
Vragen-blz