Als we de naamgenoten uit de 17de eeuw allemaal
op een rijtje zetten, de huwelijksgetuigen vermelden, de peters en meters van hun
kinderen noteren, de namen van de voogden erbij voegen en al die mensen onderling
vergelijken, komen we tot de vaststelling dat Hendrik, Jan en Matthijs broers
waren en Joanna zuster van een zekere Petrus Noë. Misschien zijn er nog meer, maar
die vonden we niet. En enkel bij Petrus Noë vonden we de naam van zijn vader, nl.
Hendrik.
Hendrik Senior had in Zaffelare een broer wonen, Matthijs Noë, in veel acten ook
Mattheus of zelfs Walterius genoemd, wiens nageslacht zich in Eksaarde en Wachtebeke
vestigde. Zijn dochter Elisabeth was meter van de eerstgeborene van Petrus Noë
uit zijn derde huwelijk.
Deze Matthijs stierf in Zaffelare op 13-2-1653 op 55-jarige leeftijd. Hij was
gehuwd met Maria Crane (elders ook Cane genoemd). Zij hadden zes kinderen geboren
tussen 1637 en 1652, maar zijn nageslacht is reeds na drie generaties
uitgestorven.
Hendriks kinderen zijn allen heel wat ouder: juiste geboortedata hebben we niet
gevonden: niet alle pastoors waren administratief in orde en niet alle oude
registers zijn bewaard gebleven - maar uit de huwelijksdata van zijn kinderen en
de geboortedata van zijn kleinkinderen blijkt alvast dat Hendriks kinderen tussen
1620 en 1630 het levenslicht zagen. Daaruit kunnen we ook besluiten dat Hendrik
zelf in het laatste decennium van de 16de eeuw geboren is.
Verder weten we van hem niets, geen datum van huwelijk of overlijden, niets over
zijn echtgenote, ook geen staat van goed.
Vermits zijn vier zonen allen boerden, mogen we aannemen dat Hendrik ook met de
landbouw zijn brood verdiende.
De landbouwbevolking in vorige eeuwen bestond uit verschillende sociale lagen.
Er was de kleine groep welstellende boerenfamilies, allemaal eigenaars of pachters
van grote boerderijen die eigendom waren van de kerk of "den armen": zij vormden
samen de kerkraad en het gemeentebestuur. Tussendoor bestreden ze elkaar in
familieveten die met de moedermelk aan de volgende generatie werden doorgespeeld.
Waar het beter boterde tussen twee of meer families huwden de afstammelingen van
die families met mekaar en bleven de kerk- en gemeentebesturen steeds in de handen
van dezelfde families.
Er was een iets grotere groep gewone boeren met een relatief klein doch leefbaar
bedrijf. Zij trokken zich liever zo weinig mogelijk aan van wat buiten hun
bedrijf zo al omging. Sommigen van hen zochten nog een bijverdienste: een deel
van hun huis werd uitgebaat als herberg. Spinnen en weven in de winter en
geregeld wat helpen bij de grote boeren, kwam vooral voor bij de keuterboeren met
een te klein bedrijf. Hun kinderen waren de latere boeren-arbeiders, de dagloners
met een zeer schraal inkomen. Zij vormden veruit het grootste deel van de
landbouwbevolking.
Enkele eeuwen geleden toen onze Hendrik Noë leefde, bestonden vele woningen uit
hout en leem en een dak van stro. Glasramen kwamen pas veel later. En de vloer was
gestampte aarde of leem. Een plankenvloer was reeds voor de betere woningen.
Ook al hebben de twee foto's hieronder niets met de Noë's te maken, ze geven ons
een idee van hoe het toen was.
De stallen waren niet veel meer dan de meest elementaire beschutting tegen de
grillige natuurelementen. Leven was werken, vechten tegen de natuur, van 's
morgens vroeg tot 's avonds laat van de wieg tot het graf. Naar school gaan was
bijzaak of bestond niet. De meeste boeren waren dan ook weinig ontwikkeld.
Landbouw, zorgen dat er genoeg te eten is, was een zeer arbeidsintensieve bezigheid:
de inzet van mankracht was zeer groot, gezien er weinig of geen machines waren.
Er waren arbeidskrachten nodig om het land te bemesten, om te ploegen met paard of
os, om het onkruid te wieden (op de knieën), om de bieten te scheiden, om te maaien
met haak en pik, om de oogst binnen te halen en later te dorsen met de vlegel of om
te melken, karnen en boteren.
Alle familieleden moesten meehelpen: de vrouw, de kinderen en eventueel andere
inwonenden. Gezin en werk vielen samen. Ontspanning was geen probleem: men had
weinig vrije tijd. Zon- en feestdagen waren echte rust-dagen.
Het ritme van de seizoenen vertraagde of versnelde het leven en bracht enkele grote
familie- en dorpsfeesten mee waar men dan de bloemetjes duchtig kon buiten zetten.
De wereld romdom de boeren veranderde en de boerewereld veranderde mee.
Hendrik junior boerde op Muikem te Assenede en precies in die buurt werd in 1615 in
een landboek gerefereerd naar "... de stede daer nu woont Wauter Noel..." (9)
In Zaffelare werd Hendriks broer Matthijs ook geregeld Walter (of Walterius)
genoemd. Het kan dus zeer goed zijn dat hun vader die genaamde Wauter Noel was, die
eveneens op Muikem boerde. Het blijven gissingen; dus voor alle zekerheid en omdat
we een volledig wetenschappelijk verantwoorde familiegeschiedenis willen schrijven,
beginnen we ons werk dan maar met Hendrik Noë.
Vermits we dus geen geboortedatum kennen van zijn kinderen, en we geen staat van
goed gevonden hebben, is het moeilijk ze volgens ouderdom te klasseren.
We gebruikten de (benaderende) huwelijksdatum, ook al weten we maar al te goed dat
in een gezin, de kinderen niet noodzakelijk in volgorde van ouderdom huwen.
We hebben elke mannelijke afstammeling van Hendrik senior een eigen hoofdstuk
gegeven.
A. Jan
Van hem vonden we slechts één kind, genoemd naar zijn vader en omstreeks 1649 geboren.
Zijn nakomelingschap vonden we terug in Bassevelde en Boekhoute. Het stierf uit twee eeuwen
later.
B. Matthijs
Hij huwde waarschijnlijk vóór 1650. We weten dat zijn derde kind in 1653 geboren werd.
Matthijs vestigde zich in Eeklo en zijn nakomelingen worden ingedeeld onder een tak Eeklo en
een tak Boekhoute.
C. Petrus
Huwde in 1654 en koos St. Kruis-Winkel als woonplaats. Ook van hem kennen we nog tot
op heden heel wat nazaten die via Zelzate en Assenede uitzwermden naar St. Margriete, Wachtebeke
en Zeeuws-Vlaanderen.
D. Hendrik
Huwde in 1656 en boerde in Assenede. Na twee eeuwen woonden zijn nazaten nog steeds op
dezelfde wijk Muikem, doch deze tak stierf begin deze eeuw volledig uit.
Uit dit kort overzicht blijkt, dat de vier zonen van Hendrik Noë elk een andere woonplaats
kozen. Zulke afstanden betekenen nu niets meer, maar in de 17de eeuw zal dat wel niet zo
geweest zijn: de wegen waren niet verhard, dus zanderig in de zomer en modderig in de winter
met putten groot en klein hier en daar en overal het hele jaar rond.
Ook al waren de transport- en verplaatsingsmogelijkheden in die tijd zeer gering en moeilijk,
toch is die uitzwerming niet zo verwonderlijk. Door de Vrede van Munster in 1648 werd een einde
gemaakt aan de Tachtigjarige Oorlog.
Tijdens die oorlog werden onze streken en vooral het platteland uitgezogen door vreemde troepen.
Deze slecht georganizeerde legerbenden lieten steeds een spoor van vernieling achter en eens
deze oorlog voorbij, kon men opnieuw aan de heropbouw beginnen. Vele oorspronkelijke bewoners
waren echter gevlucht naar andere oorden en keerden niet steeds terug. Zo kwamen heel wat
plaatsen vrij voor hernieuwde ontginning.
In dat kader kunnen we de spreiding van Hendrik's vier zonen verklaren. En liggen Eeklo en St.
Kruis-Winkel nu nog het verst uit elkaar, we moeten die uitzwerming toch bekijken vanuit de
stamplaats Assenede.
De Asseneedse wijk Muikem ligt het dichtst bij Eeklo en anderzijds koos Matthijs ook
een van de meest nabije wijken van Eeklo, nl. het Oostveld, zodat de uiteindelijke afstand
tot het stamhuis slechts rond de 10 à 12 km was.
Assenede, de stamplaats van onze voorouders, is een van die grensdorpen in het noorden van
Oost-Vlaanderen, tot waar vroeger de zee kwam. Het dorp heeft in vroegere eeuwen heel erg
geleden, erger nog dan Zelzate, onder de talrijke overstromingen: 1288, 1313, 1321, 1375,
1377 en vooral ook de St. Elisabethsvloed van 1404.
De haven van Assenede werd in 1504 gesloten en na indijking in het begin van de 17de eeuw
Smalle-Gelandepolder geheten. Daarna werden steeds meer bedijkingen aangebracht om het water
terug te drijven: grote vruchtbare polders ontstonden en nu nog is het heerlijk wandelen of
fietsen op en nabij de dijken en de overgebleven kreken. De Graafjansdijk snijdt Assenede in
2 delen: ten zuiden ligt het centrum en het houtland, ten noorden de polders.
Assenede had in de 17de Eeuw geregeld te kampen met aanvallen van vreemde legers en logementen
van vreemde soldaten. Zo de aanval in 1600 van Maurits Van Nassau, waarbij de pastorie het erg
moest ontgelden, omstreeks 1625-1630 was Assenede, en vooral de St. Albertspolder een
toevluchtsoord voor vluchtelingen uit omringende parochies. In 1636 werd zelfs de Asseneedse
pastoor ontvoerd en keerde slechts in 1639 terug. De Hollanders probeerden tot 3 maal toe Sas
van Gent in te palmen, en verschansten zich derhalve jaren in Assenede.
Pas na de Vrede van Munster in 1648 kon men beginnen denken aan de wederopbouw van die
poldergemeente. Doch ook op het einde van de 17de Eeuw in de periode van de veroveringstochten
van Lodewijk XIV huisden hier ganse legerbenden.
Assenede was de hoofdplaats van het gelijknamig Ambacht. Samen met Boekhoute, Axel en Hulst
was het een onderdeel van de "Vier Ambachten". Het rechtsgebied van Assenede-Ambacht omvatte
geografisch naast enkele in de 15de Eeuw en de 16de Eeuw door de zee verzwolgen dorpjes, ook
nog Assenede zelf, Ertvelde, Kluizen, Zelzate, Wachtebeke en St.Kruiswinkel. Tot in 1776
bleef Zelzate administratief een geheel vormen met Assenede. (76)
![]()
Overzicht -
Home-blz -
Inhoudstafel
Index -
Doorzoek deze website -
Vragen-blz
Meest recente bijwerking: 2008-06-26 18:27:02 +0200