zoon van Franciscus Anthonius Noë
(B V a) en Anna Judoca Rubbens
° Eeklo 26-5-1789
x Oostwinkel 1-1-1814 Carolina Van Den Bossche
xx Adegem 15-11-1836 Petronella Coleta Delcourt
† Adegem 10-8-1862
Op 26 mei 1789 werd Petrus Joannes Noë in Eeklo geboren als zoon van Franciscus Anthonius Noë en Anna Judoca Rubbens. Als eerstgeborene kreeg hij de naam van zijn grootvader, Petrus Noë. Zijn ouders gingen in het begin van de 19de eeuw naar Oostwinkel wonen en daar vond hij ook zijn bruid.
Op nieuwjaarsdag 1814 (jawel, de gemeentediensten werkten toen echt nog op 1 januari !) huwde hij in Oostwinkel met Carolina Van Den Bossche, dochter van Jacobus en Isabella Provijn, die in Ursel in 1792 geboren was. Zij was spinster en hij was landarbeider.
Petrus Joannes was nog klein toen de Franse Revolutie uitbrak en onze gewesten nadien bij Frankrijk werden ingelijfd. Het einde van die Franse tijd was in zicht bij het huwelijk van Petrus Joannes. Toen Napoleon bij Waterloo verslagen werd, verenigden de grootmachten het Noorden met de Zuidelijke Nederlanden en zwaaide Willem I hier de scepter.
Onder Willem I werd uiteraard het Frans als voertaal door het Nederlands vervangen. Gent kreeg zijn (Franstalige) Rijksuniversiteit.
Maar met de afscheiding van Frankrijk ging voor onze industrie een enorm afzetgebied verloren. Ondanks de inspanningen die Willem I leverde ter bevordering van het handelsverkeer, ondanks zijn grote belangstelling voor onze industrie, (uit zijn tijd dateren het metaalbedrijf Cockerill, de vele nieuwe steenkolenmijnen, de glasblazerij van Val St. Lambert en de katoenbedrijven van Gent), en ondanks de oprichting van de "Société Générale" (die nog steeds zeer belangrijk is in het Belgisch economisch leven), wonnen vooral de nijveraars, handelaars en geldschieters grote sommen, maar leefde de overgrote meerderheid van de bevolking in volslagen armoede.
Vergeten we niet dat de arbeiders door de Wet Le Chapelier van 1791 zich niet mochten groeperen, zodat zij over geen enkel middel beschikten om de hongerlonen te bestrijden.
Gaandeweg groeide de onrust. Een omwenteling hing in de lucht. In 1830 werd België onafhankelijk en op 21 juli 1831 deed Leopold Van Saksen Coburg Gotha zijn plechtige intrede in Brussel.
Maar die onafhankelijkheid was in het begin ook niet de hele oplossing. Er volgde een economische crisis van vele jaren met een absoluut dieptepunt in de periode 1845-1849 met grote werkloosheid en daaruit voortvloeiende armoede. Ongeveer een vierde van onze bevolking leefde van de armenzorg!
Aanvankelijk woonden Petrus en Carolina in Oostwinkel, maar na de geboorte van hun eerste kindje vonden ze een geschikte woonst in Adegem, waar Carolina nog het leven schonk aan 6 kinderen. Op 19-11-1833 sloot ze voorgoed haar ogen in Adegem.
Petrus Joannes die ondertussen als wever zijn brood verdiende bleef alleen achter met 6 kinderen waarvan het jongste amper 5 jaar oud was. Zijn oudste dochters Rosalie en Albertine zullen hem wellicht in het huishouden bijgesprongen zijn, maar moesten vooral vele uren per dag in de fabriek meewerken om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen.
Als de kinderen van Petrus Joannes Noë volwassen werden, kwamen de hongerjaren. Als wever heeft hij de economische crisis in het midden van de 19de eeuw bijzonder hard aangevoeld: de mechanizatie had in de textielindustrie heel veel werklozen gemaakt. Bovendien was de aardappeloogst in 1845-1846 mislukt, brak in september 1846 een typhusepidemie uit (met gelukkig niet al te erge gevolgen) en was de winter van 1846-1847 bijzonder bar.
De arbeidersbevolking geraakte uitgemergeld. Gemiddeld 1/4 en in Eeklo zelfs 1/3 van de totale bevolking moest beroep doen op het "Bureel van Weldadigheid", het huidige OCMW. (41)
Dag in dag uit herhaalden duizenden wevers en spinners op het Vlaamse platteland het gebed: "Geef lieve Heer ons cost en cleer, het hemelryck en dan niet meer."
Als men dan toch werk vond in een fabriek, klopte men 15 tot 16 uur per dag, voor een loon waarvan het gezin niet kon in leven blijven. Daarom gingen de vrouwen mee naar de fabriek, terwijl zij hun baby's thuis achterlieten, soms onder de hoede van een iets oudere peuter. In het ergste geval namen ze de kinderen mee.
Vanaf hun achtste jaar gingen ze in ieder geval mee naar het werk, ook voor 16 uur per dag. En daarvoor kregen ze een eerder symbolisch loon, niet eens de helft van een mannenloon. Die kinderarbeid is één van de schandvlekken op onze vaderlandse geschiedenis. Het heeft geduurd tot 1889 toen een wet de kinderarbeid regelde en kinderen onder zestien jaar niet langer dan 12 uur per dag mochten werken. (18)
Petrus Joannes hertrouwde in Adegem op 15-11-1836 met de spinster Petronella Coleta Delcourt, dochter van Frans en Coleta Verhee. Zij was in Eeklo op Kerstmis 1795 geboren maar woonachtig in Waterland-Oudeman. Ze was reeds weduwe van Karel Staelens.
Pieter Jan overleed in Adegem op 10-8-1862 en Petronella Coleta 4 jaar later op 12-12-1866.
Zijn kinderen:
| ||||
| ||||
| ||||
| ||||
| ||||
| ||||
| ||||
|
|
Meest recente bijwerking: 2009-06-08 20:33:05 +0200