Search billions of records on Ancestry.com
   
Your IP address is

Julia Van Landschoot, Karmelites te Jambes

Uit het leven van ons Overgrootvader,naar een levensschets uit het dagboek van tante Julia Van Landschoot, Karmelites te Jambes (1-I95I)

Het heeft mij alijd gespeten mijn notitie over mijn leven niet begonnen te hebben met een trek uit het leven van grootvader, die geen anderen naam had dan peetje van 't Xruiske;die naam had hij omdat zijn huis stond op een vierweegse. God gave dat zijn nakomelingsschap zijn vurige navolgers wezen, nu de godsdienst zo verflauwd is. Peetje zaliger hoorde alle Zondagen twee missen in zijn tijd en deed tussen de twee missen in zijn kruisweg, Hij was vriend van God en de mensen; hij beminde iedereen en was van iedereen bemind; zijn ambacht was schrijnwerker, indien dit de rechten naam is in het Vlaams, de stiel van den H. Jozef,en herbergier. Dit deed hem vele vrienden winnen en kennissen, hij was van verre en bij gekend, jong of oud, rijk of arm. Hij kende maar twee namen:kozijn en nicht. Als de pastoor of' onderpastoor verzet waren in een andere parochie, na enige tijd zei hij: ik moet kozijn gaan bezoeken en weten hoe hij het stelt, men vond daar geen aardigheid in, het was peetje. In zijn herberg was er nooit twist of geschil; dat was gekend. Hebben wij geen goed te zeggen van de mensen,-zwijgen we erover. Een uitgezochte kluchte was een zijner middelen om alle geschil te doen eindigen, overeenkomstig te liefdadigheid. Hij was nooit ziek ;en de laatsten van zijn leven had hij nog de geest om de pastoor en de geneesheer te verlustigen en het is al zoo dat peetje de aarde verliet, aan allen die hem tekend hadden een vrolijke herinnering achterlatend. Ik ging hem vaarwel zeggen, hij was nog in zijnen werkwinkel; hij was er van aan- gedaan en zegde, zijt een goede nonne; ik ga naar den ander kant; maar ik heb mijn best gedaan on dien waren Gods — en mensenvriend in het geheugen te bewaren.

Uittreksels uit het geestelijk boek van Zuster Maria – Xaverius (Julia Ven Landschoot Karmelites te Jambes. Vooraleer de geschiedenis van mijn leven te beginnen ,zal het goed zijn enige woorden te zeggen over hen van wien ik het leven ontving. Ze waren beiden voorbeelden van liefdadigheid; ze hadden grote zorg om en nooit schulden te hebben. Moeder was altijd humerig of een of andere arm te helpen, meest altijd in het geheim iets te bezorgen. Daar dit overeenkomstig was met mijn eigen verlangens, was ik altijd op de hoogte en was ik het gewoonlijk die belast was met het te dragen. Ik herinner mij nog twee oude lieden uit de gebuurte, die gewoon waren hun brood te hebben, iedermaal dat men bakte. Eens gebeurde het dat men niet had kunnen bakken; de vrouw kwam zien, maar ziende dat iedereen tegenwoordig was, zei ze niets; en ik die alles begreep, zei seffens aan Moeder:ze hebben voorzeker geen brood meer en moeder zond me seffens met wat brood en eieren. Een trek van Vader zaliger, een man van liefde en groot geloof, die zijn geloof en liefde deed uitschijnen door werken. Eens moest hij naar de beestenmarkt gaan; als hij op de markt was, als ik mijn boter zou geleverd hebben, moest ik hem komen vinden om dan samen naar huis weder te keren. Als ik daar toe kwam, was Vader in geschil met een man die hem wilde beletten kommersie te maken: let op, zegde hij aan Vader, het is een Waal; en dat maakte vader kwaad, die al zulke opinies over Walen en Vlamingen niet kon verdragen; en hij antwoordde ,"wat zijt gij? ". Liegen of bedriegen is nooit mijn karakter geweest;maar het is aan moeder te danken die beginselen te hebben tegen-gehouden: een jonge vrouw uit onze gebuurte had altijd meer op den dag van de markt voor haar boter; ze had de reputatie van wel te kunnen liegen. Ik kon dat niet lijden en zei aan Moeder: ik zal niet meer de eerste zijn om te zeggen hoeveel ik gehad heb en dan meer zeggen als zij. Moeder antwoordde: doe dat,in alle bedaerd-heid, ik zal haar voorkomen, dat ze U niet moet geloven, dat ge de waarheid niet zegt.ik was paf en V voor altijd gekorrigecrd, zodat ik nooit meer zin had om te liegen.

Die godsvrucht tot de H. Jozef is ons van ons moeder zaliger ingegeven " "In mijne jongheid had ik een drift om boeken te verslinden altijd verhopende deer Jezus te vinden.". "Sedert mijn intrede in het klooster ben ik altijd omringd geweest van heilige en voorbeeldige kloosterzusters: de onvolmaaksten onder hen ovetreffen mij in deugd". "Ik heb de hoop dat mijn leven niet vruchteloos gepasseerd is alles in de liefde gelegen".

Ze vertelt hoc ze altijd zwak geweest naar het lichaam en hoe de ziel ook daar deel in had. Ze was niet sterk en leed daar onder en werd soms somber en zwijgzaam daardoor, elhoewel ze zelf zegt: "dat dit nooit haar karakter geweest is maar wel dat zo eerder gaarne lachtte: alle amusante historie blijft altijd in mijn geheugen",

Jezus is altijd de grote vertrouweling geweest van mijn leven...Het is pijnlijk rijk te willen zijn om te geven en niets te bezitten: sedert lang heb ik begrepen dat die armoede ook rijkdom wordt als men er een goed gebruik weet van te maken ". "Ik kom nog eens terug op die kaderkens; het is veel zin het plezier van kaderkens te maken dat mij altijd tot die bezigheid aantrekt dan een nood om te geven". "Mijn peter zaliger was een heilig men, hij woonde nog al ver van ons ".Ze gingen samen met Prudence naar toe en eens dat ze hem niet thuis vondt ging ze hem op zoeken op het werk op 't land, en bood het zijn nieuwjaarsgeschenk. De lessen en onder-wijzingen die hij gaf aan ons beiden, geleerde priesters zouden niet beter hebben kunnen spreken:"ge zult kloosterzuster worden, zei hij, maar ik zal niet meer leven:als ge in het klooster gaat, wordt dan een heilige kloosterzuster, en ik zal dat voor U vragen.

Eens in de rekreatie trok men lotje voor drie boeken,woorvoor ik een waarachtige ambitie had om ze te hebben; het droeg ten titel: a petite voce"(De kleine weg van Theresia van het Kind Jezus). Er viel een lot op mij, mijn voldoening was over-groot, maar seffens dacht ik eraan dat het anderen ook plezier zou gedaen hebben. Ik had er geen rust meer van, meer aanzien zal ik het geven. Ik vraagde inwendig aan Jezus mij te verlichten en met toelating van ons Moeder Overste heb ik het gegeven welke het Hem beliefde; op dienzelven ogenblik zei een zustoer: ik zou zeer kontent zijn dit boekje te hebben voor mijnen missionaris. Dit belette niet dat mijn sakrifisie zeer groot was.

Dan vertelt ze hoe haar moeder haar een strekje aftrok dat ze van haar meter gekregen had. Moeder was gaar niet voor. Ze had ok eens haar portret laten maken en daarvoor haar haar opgedaan naar de laatste mode het portret verdween en ze heeft er nooit meer een spoor van ontdekt. Prudence en Louise waren veel eenvoudiger meent ze en moeder wilde dat ze eenvoudig bleef als ze op dienst was. Nooit of nooit ging men zich beklagen bij moeder zij had een antwoord dat ons in een lach deed schieten; in alle geschillen, moet ge trachten overeen te komen en kunt ge het niet effen kijven, vecht het dan effen.

Moeder noch Vader spraken nooit van iemand kwaad. Eens was een heer van wie ik had horen zeggen dat hij zo komiek sprak; als hij weg was deed ik hem na, en moeder zei: hoe spreekt gij ?." Haar moeder liet ook niet toe dat zij een hoed droeg die al te veel naar de mode was: het was een hoed met een witte pluim op. Ze diende bij een zekere familie De Meulemeester in Brugge, een post die men haar was komen aanbieden Ze was er zeer gaarne en er zelfs aan gehecht. Ze kreeg plots haren opzeg en zag daar onder af. Het was door jaloersheid van de andere meiden. Zij wilde zich niet verdedigen. Ze ging in die dienst elke dag naar de Mis, alhoewel het daar het gebruik niet was. De kasteelvrouw ging dagelijks naar de Mis en niet het dienst-personeel.

Hier nu begint mijn kloosterleven en ik heb niets gezegd van mijn jonge jaren in de wereld, die altijd zijn gepaseerd in afkeer van de wereld. Ik droomde er nochthans van altijd gerust bij een juffrouw met nog een andere dienstmted in de wereld te blijven, zonder de wereld te beminnen, maar in mijn hart verlangde ik er vooral naar de wil van God te volgen voor mijn levenstaak. Ik had geen rust en werd gevoelig-lijk gewaar dat ik op mijn plaats niet was. De verandering van biechtvader heeft die zaak dan kortstondig ten uitvoer gebracht; van den eerste maal vroeg hij mij of ik er nog niet aal gedacht had om een levensstaat te kiezen.1k antwoordde: wel ja, het heeft mij altijd gedaeht dat mijn roeping het kloosterleven was. En ik meende gedaan te hebben wat van mij afhing om daartoe te komen. Hij gaf me enige raadgevingen die ik in het werk stelde, bijzonderlijk van te schrijven naar den Pater Provinciaal te Gent, of hij geen klooster van Karmelitessen kende waar men een werksuster nodig had. Hij stak mijnen brief bij een briefje van hem; de Karmelitessen van Namen waren juist bezig een noveen te doen ter ere van de H.Franciscus Xaverius om hem een werkzuster te bezorgen en zo beloofden haar de naam van Zr Maria -Xaverius te geven. Ze vertelt verder hoe die naam van een man haar weinig aanstond: "zijn er geen vrouwennamen genoeg" ,en hoe ze blij ermee was als ze van die belofte hoorde. " Het onderzoek van geweten vond ik zelden of nooit nodig: de onvolmaaktheden en alle misgrepen zag ik voor mijn ogen zonder er naar te zoeken, gelijk een maaltijd die op de maag blijft wegen; noch het goede noch het kwade heb ik ooit geteld; maar na iedermaal mijn gebrek aan deugd bemerkt te hebben, stelde ik telkens een akt van liefde en berouw, en ik vond me opnieuw in de vriendschap met God; mijn leven is een aaneenschakeling van fouten en goede werken; ik vergelijk mij als aan een zee die nooit stil is, maar altijd in beweging. Al mijn verdiensten zullen bestaan hebben in het overwinnen der eerlijkheden en flauwten naar lichaam en ziel; van 's morgens tot 's avonds altijd vermoeid, maar ik heb nooit gezocht om te rusten, maar altijd beproefd om die lafhertigheid gelijk ik het noemde, die gewome gesteltenis van lichaam en ziel te overwinnen

Heel haar leven heeft ze zich daarover verootmoedigd gevoel en in haar zwakheid trachten God lief te hebben. Dit komt honderden keren terug in haar dagboek. Reeds thuis voelde ze zich in 't werk de mindere tegenover haar zusters. "Het is een grote troost voor alle zielen van goeden wil te denken dat Jezus niets anders vraagt dan onzen goeden wil". "Ik heb gesproken van mijn geest van redenering; dit en een ander gebrek waar ik tot nog toe niet overgesproken heb en waartoe ik nog niet gekomen ben om er mij van te ontdoen, 't is het spreekwoord “de waaeheid mag gezegd worden"; ja in de wereld zal dit misschien als een deugd kunnen doorgaan, zonder vreze altijd de waarheid te zeggen; maar in het klooster hetzelfde niet: men heeft zijn oversten en volgens de verlichting die ik tot heden heb, is het beter, zich altijd te gedragen naar hun goeddunken. 't is al veel voor mij van te denken, dat het beter is van te zwijgen, uitgenoom als men iemand beknibbelt en dat de beknibbeling niet verdiend is; in zulke gelegenheid is het voor nij niet mogelijk om niet uit te schieten... de waarheid aan iemand zeggen is een teken dat men hem het meest bemint,

Maar het is ongelooflijk hoe weinigen er zijn die dat doen; ik sprak van eigen ondervinding; een werkzuster, die nu reeds lang gestoren is, beminde mij veel en had alle betrouwen in mij; maar al het vertrouwen en de liefde die ze mij toedroeg deed mij hartzeer; en ik zegde het haar somtijds: hoe komt het dat ge mij nooit waarschuwt over mijn veelvuldige gebreken ... en ze antwoordde eenvoudig: ik zie geen gebreken. Wat verblinde liefde! De goede God heeft dit alles toegelaten opdat, opdat ik op hem alleen al mijn vertrouwen zou stellen. "Het belet mij om met Jezus te verkeren; rnijn gebreken zelve zijn stof daarvoor..." "Het is mij nooit te minne gekomen mij uitwendig voorbeeldig te tonen". "Ik herinner aij nog goed :in mijn eerste jonge jaren, las ik de vaders der woestijn en ik zegde tot mezelf hoe zal ik hen ooit kunnen navolgen; ik zocht hen van ver in veel kleinigheden na te volgen; bijzonderlijk kon ik niet vasten gelijk zij; ik trachtte mij in veel kleine dingen te versterven zonder mij van het nodige voedsel te beroven; ik zou daarvoor geen toelating gekregen hebben, want moeders ogen waren altijd open op mij, en ze geloofde dat ik wilde vasten en liet het mij horen, zei; ende :ge zijt gene vogel om te vasten; neen ik bestoefde het zelfs niet; het gebrek van een maaltijd gaf mij altijd hoofdpijn en was gevolgd van nietsmeer te kunnen nemen; maar de beroving van vele kleine voldoeningen, van fruit bv., deert mij; een nadeel,en ik was er getrouw aan ..." "Jezus zelf; zorgde er voor mij zelf te verlichten. Soms ging ik ijskoud te bed. Prudence sliep bij mij; als ik terug in bed/ kwam, gaf ze een kreet, mijn ijskoud lichaam gewaar. Wordende; de schuld daarvan was lange op mijn knieen gebeden te hebben, hetgeen Prudence ook grotelijks versterfde; ze zei:"wat zit ge daar te doem komt in uw bed. Ik wierd gewaar zonder geestelijke leider, hoe tegen;strijdig dit was aan de liefde tot de evenmens. Wat ik ook deed., was steentjes in mijn schoenen steken... 'IK ging in de versterving des nachts, iedermaal als ik wakker word, met opstaan om een gebed te zeggen.

Als ik op dienst was, was het altijd mij in grote moeilijkheid; een geestelijk boek lag daar, altijd in het tafelschof open, en iedermaal ik het schof opentrok las ik enige regelen; dit bewaarde mij en onderhield mij in het betrouwen op God ,van wie ik alles verwachtte na de rekreatie ik zette mij als onvrijwillig op mijn knieen om te bidden en om het sakrificie te vernieuwen. lk herinner mij nog die wondere gesteltenissen van het hart en den Geest; en ik heb mij nooit kunnen verzekeren hoelang het geeft geduurd, maar ik vlos als vervoerd in con andere wereld,wenr alles licht was en geen duisternis.lk zag daar een boek dat open lag en waar er op geschroven stond in grote gouden letters:Vernieuwing van geloof aan het H. Evangelie." Als ze terug tot haarzelven kwam, scheen alles haar duisternis te zijn. .."Drie of viermaal is mij zo iets over-komen, maar waarvan het geheugen zo levenfig bleef, dat jaren nadien ik nog dikwijls de plaats van het hof ging bezoeken, voorzeker om Jezus daar nog eens op zo een wondere manier te vinden".